Het aantal jongeren tussen 18 en 34 met een burn-out is de laatste zes jaar meer dan verdubbeld. Dat blijkt uit een onderzoek van de onafhankelijke ziekenfondsen. Zijn jongeren niet meer ambitieus? Zijn ze te fragiel om mee te draaien? Of kan het zijn dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij hen ligt?
Lode Godderis, professor arbeidsgeneeskunde aan de KU Leuven, schetste deze week een verhelderend en genuanceerd beeld tijdens De Ochtend op Radio 1. “De verwachtingen van jongeren liggen inderdaad hoog wanneer ze een eerste job zoeken, maar de omgeving is ook een pak veeleisender. De arbeidsmarkt schreeuwt om goede werkkrachten die meteen inzetbaar zijn. Dat maakt dat er weinig ruimte is voor een overgangsperiode. De stap van het onderwijs naar de werkvloer gebeurt daardoor niet altijd optimaal.”
Goede begeleiding is goud waard
Jonge werknemers worden dus te vaak zonder opwarming het koude water ingegooid. Nochtans zou een goede begeleiding door de werkgever een groot verschil kunnen maken want de meeste jongeren die afhaken om mentale redenen doen dat in de eerste 3 tot 6 maanden. Daar is ook voor het onderwijs een rol weggelegd: wanneer jongeren een realistisch beeld krijgen van de werkvloer, beginnen ze met meer realistische verwachtingen.
Is meer thuiswerk dan een oplossing? In je vertrouwde omgeving en zonder afleiding werken haalt de druk wat van de ketel, toch? Niet per definitie, zo blijkt. “Meer telewerk leidt tot minder structuur, begeleiding en sociaal contact. Dat maakt de overgang van studie naar werk moeilijker”, zegt Ruud Saerens, arts en expert bij de Onafhankelijke Ziekenfondsen in De Standaard.
Met knikkende knieën in de werkarena
Jongeren ontdekken nog volop de wereld van het werken. Ze staan nog niet altijd sterk genoeg in hun schoenen om aan te geven dat het allemaal wat overweldigend is. Ze willen zich bewijzen en overschatten daarbij soms hun eigen draagkracht. Daardoor trekken ze soms pas aan de alarmbel als het te laat is, als hun lichaam een grens aangeeft. En dan duurt het lang om weer te herstellen. De drempel om daarna terug de werkarena in te stappen ligt hoog. De eerste werkervaring heeft hen onderuit gehaald en er zijn nog geen eerdere ervaringen die hen het vertrouwen geven dat ze het wel kunnen.
Generatie corona
Een burn-out is zelden rechtlijnig te wijten aan de werkdruk. Er spelen doorgaans ook andere factoren mee. Een job kan vaak net de structuur en voldoening brengen die jongeren zo hard nodig hebben. Een job waarin je erkenning krijgt voor je inzet en talent, waarin je waardevolle contacten hebt met collega’s, is goud waard voor de persoonlijke groei en het zelfvertrouwen.
Er komt nu een generatie op de arbeidsmarkt die de coronaperiode heeft meegemaakt op het moment dat hun identiteit zich vormde. Een identiteit ontstaat in de verbinding met anderen, met leeftijdsgenoten. Verbinding die zij op een cruciaal moment in hun leven niet of nauwelijks hadden. We weten hoezeer die periode van isolement heeft ingehakt op het mentaal welzijn van deze groep jongeren. Misschien kan wat mildheid geen kwaad.
Overgevoelige kasplantjes vs generatie ‘Bluvn goan’
Het is makkelijk om jonge werknemers met de vinger te wijzen en hen weg te zetten als overgevoelige kasplantjes. Maar wat als we voorbij de droge cijfers zouden kijken en deze interpreteren als een belangrijk signaal dat het anders moet, dat we ook in het professionele leven meer zorg moeten dragen voor elkaar en dat we daarvoor een ingrijpend andere blik op onze manier van werken moeten werpen? Daar zouden niet alleen jongeren baat bij hebben, ook de generatie Bluvn goan zou stiekem opgelucht ademhalen met wat meer menselijkheid.
